Home

Boot

Bemanning

Reisverslag

Reisplan

Voorbereiding

Links

Contact

 

 

 

 

 

 

Zeelogboek

 

 

Lang niet altijd is er internet dichtbij. Met het zeelogboek zorgen we via de korte golfradio voor een regelmatig verslag van de laatste avonturen.

<+++++++++++++++>

Lower Hutt, 19 februari

 

We zigzaggen wat door het noorden van South Island deze week. Van Arturs Pass, gaan we via Greymouth naar Hanmer Springs en Kaikoura. In Blenheim /Picton loopt de week af en steken we weer terug over naar Wellington/Lower Hutt opNorth Island.

Het zijn vooral toeristische routes die we rijden. De betere temperaturen en de grootse wijngaarden aan de noordoostkust en de relatief eenvoudige bereikbaarheid van dit stuk van South Island maakt het meer bezocht.

De weg over Arthurs Pass geldt als onvergetelijk mooi; wat ons betreft voor wie hier ooit komt, neem de weg via Lewis Pass, de absolute top in lange mooi gelegen paswegen.

Al die toeristenoorden,  het lukt bijna niet om er aan te ontsnappen. Het zelfde geldt helaas voor de sandflies.  Toch hebben we een lichtpunt.  Het lukt ons in drie verschillende natuurparken eindelijk een overschot aan vogels, zeeleeuwen en dolfijnen te spotten. Iets buiten Kaikoura loopt een kustwandeling om een aantal kliffen. Het resulteert in bijna 100 zeeleeuwen beneden ons op de rotsen. Een fraai gezicht; eindelijk eens een behoorlijk resultaat. Het is wel verweg (kijker!) maar mogelijk hebben we ook met de camera nog wel wat mooie plaatjes. De volgende dag op weg naar Blenheim passeren we naast de weg in een aantal bochten en baaien weer veel zeeleeuwen; veel jongen, spartelend in hun poeltjes,  ook dit keer op mooie camera afstand. Voor ons uniek, achter dit zeeleeuwen spektakel, iets buiten de kust zien we –kijker- twee kuddes gewone bottlenose dolfijnen. Ze springen, zo herkennen we ze, regelmatig volledig het water uit.

De week is compleet als we een stevig stuk lopen in een 5000 jaar oude lagune vlak bij Blenheim; tientallen vogels, alleen de lepelaars ontbreken, vullen uren ons beeld in dit wetland reservaat.

Het is gek, maar toen ik een van de ochtenden  ons organisch afval weg wilde gooien realiseerde ik me ineens het “dubbele” in de Nieuw Zeelandse afvalscheiding. Alles, plastic, glas, blik, papier/karton heeft zijn eigen afval bak maar organisch afval, hoh maar. Alle organische troep, zeg maar GFT, gaat gewoon in de algemene “non-recycle”afvalbak. Nota bene dat wat in West Europa het eerst in het afval is “gescheiden” geldt hier als niet te recyclen. Zouden ze nog nooit van composteren hebben gehoord of zijn ze gewoon bang voor vieze stinkende bakken in de zomer?  Misschien is het wel het zoveelste voorbeeld van de angst van de Nieuw Zeelanders voor weer een nieuwe ziekte die verspreid wordt.

Soms tref je het, soms tref je het niet.  Als er iets dik gezaaid is in Nieuw Zeeland dan zijn het wel “Scenic Flights”. Het liefst per vliegtuig of helicopter. Een vliegtuigbedrijfje adverteert zelfs dat je met een vliegtuig veel beter walvissen kunt spotten dan met een bootje. Je scheert er op 50 meter boven langs -hoger dan 30 mtr kan een bultrug, een blauwe vinvis of een spermwhale toch niet springen; heb je mooi alles gezien voor hij weer in het water terecht komt.

Kortom “Scenic Flights”om walvissen te spotten, om Mt Cook rond te vliegen, of om op een van de gletsjers bij Franz Josef, Fox of Tasman te kunnen skieen. Niet goedkoop maar je krijgt er wat voor. In Kaikoura kun je je naar de bergen laten vervoeren, naar Hanmer Springs, over de wijngaarden of zoals gezegd om walvissen, dolfijnen, albatrossen en zeeleeuwen te spotten.

Geen zichzelf respecterende plaats zonder vliegveld; geen toeristen”geiser zonder twee vliegvelden.

Het was ons in Kaikoura al op gevallen dat achter ons huisje, 50 mtr,  een paar keer per uur een helicopter landde en weer vertrok. Aangezien we de middag weg zijn besteden we er verder geen aandacht aan; in de nacht pakt de verrassing uit.

Nauwelijks liggen we in bed, de magen goedgevuld met een echte maaltijd Fish & Chips, of een donderend geraas wekt ons weer. We blijken een drukke nachtelijke vrachtspoorlijn 5 meter achter ons huisje te hebben.  Als klap op de vuurpijl zijn ook de nachtelijke trips met de helicopter goed verkocht. Er is iets in onze relatie met de treinen. Na een nacht vrachttreinen op 5 meter afstand brengen we de nacht in Blenheim door met een spoorbaan op 25 mtr afstand; weer rijden de lange vrachttreinen alleen s’nachts door onze slaap. Het doet wat denken aan de diskussie over de chloortreinen overdag midden door Dordrecht; dan doen we het toch voortaan ’s nachts was de oplossing.

Nauwelijks hebben we uitgepakt in Lower Hutt, North Island of de Vintage Train Club blijkt z’n station achter ons te hebben, 50 meter dit keer. Het is oefenmiddag. Achter elkaar rijdt de stoomtrein het emplacement op en af. Dikke stoom en cokeswolken over ons uitstortend.

Komende week gaan we richting Hastings/Napier en de dagen daarna via Gisborne – de eerste plaats waar Cook voet aan wal zette ­- en Tauranga/Bay of Plenty – nog steeds is de boot die in de storm de nacht nadat we Nieuw Zeeland binnen kwamen, strandde niet geborgen en lekt olie - verder richting Auckland/Whangarei.

 

 

Arthurs Pass, 14 februari

 

Een week in de zuidelijke helft van South Island. Een gebied dat vooral wordt getekend de Southern Alps in het westen en zuid en zuidoostelijk, door grote uitgestrekte landbouwgebieden die doorsneden worden door woestogende rivierbeddingen en weldadig groene boszones. De temperaturen wisselen. Hoog in de bergen bij Milfordsound en Mt Cook zijn de nachten koud maar overdag als de zon uitbundig door de wolken breekt is de zon warm, te warm.

Rijdend langs de zuidkust is het fris. De zuidelijke winden  zijn koud.  Hier blaast de zuidelijke wind rechtstreeks vanaf Antarctica op de kust. Wat de wind in herfst en winter met het land kan doen wordt duidelijk als we de weg pal langs de zuidkust rijden. Honderden bossages van scheef gegroeide, door de wind geschoren bomen en struiken staan langs de weg. Zoals je bij ons aan de kust ziet met de duindoorns en dennenbomen die naar mate ze verder in het rijtje staan net weer een stukje hoger en rechter komen dan hun westelijke buurman.

Vanuit Te Anau, rijden we naar Milford Sound. 120 kilometer heen, eenzelfde afstand weer terug. Zoals we de hele week telkens weer gaan treffen is het als we op weggaan bewolkt. Dikke laaghangende wolkenpakketten beperken ons gezichtsveld.  Het lijkt bijna dwaas toch te gaan. Naar mate we verder in de bergen komen breekt de bewolking en komt de zon erdoor. Precies het beeld dat we de hele week met ons mee gaan nemen; stevige bewoking in de ochtend, wat zon rond de middag en een terugkeer van de bewolking, met wat – of wat meer zelfs- regen in de avond.

 Fjordland, in het uiterste zuidwesten van South Island,  kent een reeks fjorden die alleen of nagenoeg alleen bereikbaar zijn vanaf de oceaan. Maar een paar “Sounds” zijn via een lange weg ook via het land bereikbaar. We lopen een stuk in de druipnatte wouden en bergen rond Milford Sound. Al stappend en fotograferend banen we ons een weg door een lusthof van varens (binnen een straal van een meter kom ik al 6 verschillende soorten tegen) en mossen (op een steen van nauwelijks dertig centimeter doorsnee tref ik al 5 verschillende mos soorten; iets verder op zelfs nog een aantal anderen.  Zoveel varens en mossen bij elkaar zijn we al lang niet meer tegengekomen. Het stuk waar we lopen is oerwoud. De  bomen zijn tot bovenin begroeid met mossen en varens,  het bos is gevuld in lagen van verschillende bomen en struiken; jong en volwassen.

De varen is van betekenis voor Nieuw Zeeland; zelfs in de logo’s van de All Blacks (rugby) en de All Caps (cricket) komt het Nieuw Zeelandse Kwaliteitskeurmerk met de zwart/witte varen terug. 

Via Owake en  Cromwell komen we in Twizel aan de voet van Mt Cook. 

In de dagelijkse afwisseling van bewolking en zonnige perioden lukt het net de “overdag”regen voor te blijven.  Ooit werd Nieuw Zeeland omringt door allerlei  zeeleeuwen/robben soorten. Het koude Antarctische water gaf ze precies wat ze zochten. Nu honderden jaren nadien zijn er nog maar weinig. Na de vangsten van de Maori waren het vooral de robbenjagers die ze met duizenden per jaar afslachten. Hun pels was in de “beschaafde”westerse wereld ruim gelieft. Nu zijn er nog maar een paar plaatsen in Nieuw Zeeland waar er, net als de verschillende pinguinsoorten, nog een aantal voorkomen. Na ons bezoek aan de robben bij Westport een week eerder, hebben we nu de pinguins op ons lijstje staan. In Owake aan de zuidkust weten we er op een avond, precies vier te spotten. Niet veel, verwend als we zijn, 4 “yelloweyed penguins”, maar zoveel pinguins, dolfijnen, zeeleeuwen en walvissen als we er twee jaar geleden in Patagonie hebben kunnen bekijken zullen we niet snel meer meemaken.

Na de woeste Southern Alps, is het landschap in het zuiden en zuidoosten van South Island een hele overgang. Catlins, het gebied waar we doortrekken is een gemengd landbouw/bos gebied met afwisselend wetlands vol vogels (althans als het goed is) groensingels; bos en heuveltrajecten en veel, heel veel weilanden. Dit is echt een van de schapen- en koeien- gebieden van Nieuw Zeeland. We passeren duizenden stuks vee, samengepakt op grote graspercelen. Op veel andere percelen is net gemaaid. Het wijdse landschap wordt gedomineerd door plukjes wit (schapen) en  geelbruine, lichtgroene en witte rollen, in lange rijen aan de horizon; net naar gelang de ondernemer zijn gras bijeenbindt in ademend doorzichtig vlies, in wit of lichtgroen plastic.

Na een aantal dagen Catlins, Mackenzie en Canterbury komen we terecht in Twizel. Een lieflijk plaatsje aan de voet, 60 klometer verder, van Aoraki/Mt Cook. De hoogste berg van Nieuw Zeeland; een berg met een dubbele naam, precies op de breuklijn tussen de Australische plaat die de Zuidelijke Alpen opstuwt over de plaat waar South Island op ligt. De breuklijn loopt door Cook Strait en gaat dan ten oosten van Northern Island verder.  Het massief waar mt Cook boven uitsteekt kent bijna twintig  drieduizenders en wordt voor 40% bedekt door gletsjers.

Mt Cook en de Southern Alps hebben voor de Maori een bijzondere betekenis; Te Katiritiri o Te Moana of “Schuim van de Zee”.  Toen de hemelse kano met de zoons van Raki, Vader Hemel omsloeg in de branding bij het verlaten van de oceaan klommen een aantal zonen op de hoogste kant. Ze veranderden in steen; de hoogste pieken van de Southern Alps. De hoogste van hen Aoraki, “Wolk in de lucht”of “Wolksplitser”.

De gletsjers van de Southern Alps zijn wilde woeste jongens. De stroomsnelheid en elasticiteit en bijgevolg daarvan de dagelijkse verandering is groot. De Tasmanglacier en de Hookerglacier, de twee voornaamste gletsjers die van Mt Cook afrollen,  hebben doorgaans maar rond de 10 jaar nodig om sneeuw en ijs verzameld in de kom onder de top tot onder aan de gletsjer tong te brengen. De dagelijkse verandering van de omstandigheden aan de onderkant van de gletsjers maken de tocht er naar toe, net als bij de Fox Glacier en de Franz Josef Glacier dagelijks anders. Zo is het gletsjermeer onder de Tasman Glacier pas dertig jaar geleden ontstaan. Naast de betekenis voor de Maori is Mt Cook ook voor de “nieuwe”Nieuw Zeelanders bijna mythisch. Vernoemd naar hun (tweede) ontdekker Cook –voor de eerste, Tasman is in elk geval de ena hoogste top er vlakbij gereserveerd – is het vooral ook het massief waarop Nieuw Zeeland zijn helden maakt. Talloze Nieuw Zeelanders, Edmund Hillary voorop, oefenden hier voor het nog grotere werk elders (Himalaya, 7 toppen op 7 continenten) of maakten op de smalle, brokkelige en ijzige graden hun eerste beklimmingen.

Erges onderweg, een paar dagen geleden spreken we iemand over het begrip “druk”  en de Nieuw Zeelandse betekenis daarvan.  Wij vinden het over het algemeen zo rustig overal. Wat blijkt, voor een Nieuw Zeelander, met hooguit twee steden waar het verkeer (Auckland en Wellington) ’s ochtends en ’s avonds op de tweebaans toevoersnelweg wat vertraging/file heeft is het op dit moment vast druk. Voor een Europeaan of Noord-Amerikaan, gewend aan 6 baans highways en trafficjam vanaf de vroege ochtend tot halverwege de dag of halfweg de middag tot ruim in de avond, is wat we nu zien om ons heen doorgaans verschikkelijk rustig. Nooit het gevoel van een zomerse dag op weg naar Zeeland, Noordwijk of het Zandvoortse strand. De norm is anders, de toets aan de eigen beleving van “druk”verschilt hemelsbreed.

Als wij er zijn is het druk bij Mt Cook; zeker 50 auto’s staan geparkeerd voor de 11 beschikbare trails. Het landschap, ook al in de aanloop, is geologisch verschikkelijk jong; 12.000 jaar. Overal om ons heen op ons pad moraineresten; oudere begroeid en jongere nog helemaal zonder begroeing. In de beschutte kommen rond de oude moraines ontwikkelt de begroeiing zich al verder en weliger. We vinden, in dit alpine landschap, weer veel nieuwe struiken, varens en mossen tussen de keien en kiezels. Aan de andere kant is ook de hoeveelheid bloeiende planten en planten met vlezige grote groene bladeren (goed beschutting tegen uitdroging) verrassend groot.

De grote afwezige is de Kea. Hoewel er voor gewaarschuwd wordt, laten ze zich niet zien. De enige bergpapegaai van Nieuw Zeeland, een lijflengte  50cm, is een geweldadige rover. Lunchpakketten, fototassen, zelfs autospiegels en antennes verdwijnen onder z’n opdringerige gedrag. En paar dagen eerder op weg naar Mt Cook komen we er een tegen. We fotograferen hem. Zodra hij (zij?) opvliegt en op ons afkomt is het toch even schrikken. Snel de auto weer in; beter geen foto dan een Canon mee naar z’n nest.

De komende dagen via  Arthurs Pass en Greymouth (westkust) verder noordwaarts; onze boot terug naar Northland gaat over iets meer dan een week. Benieuwd of we de strijd met de regen blijven winnen; oostelijk van Arthurs Pass regent het jaarlijks 500 mm; westelijk 5000 mm per jaar. De gletsjers bij Franz Josef en Fox blijven nog altijd ruim aan kop met 6000 mm per jaar. In de winter en voorjaarsmaanden moet de waterafvoer vanuit de Southern Alps gigantisch zijn. We zullen er nog wel een aantal kruisen, die woestogende rivierbeddingen. Honderden meters breed vol keien en met maar een miezerig waterstroompje, meanderend door de bedding.  

En dan, op Nieuw Zeelands hoogste pas, verliezen we de strijd. Als we wakker worden gutst de regen voluit naar beneden. Stevige stromen water lopen in geultjes langs de weg het dal in. Het zicht is weg, de bewolking hangt te laag.

Eén geluk hebben we net als we vol misnoegen naar buiten kijken ontvangen we de drukproef.

We blijven nog een dag op Arthurs Pass; genoeg te doen.

 

 

Te Anau 6 februari,

 

North Island, Wellington, Te Papa museum levert een wel bestede dag op. De informatie wordt op aantrekkelijke wijze gebracht en is boeiend. Een aantal puzzelstukjes valt op z’n plaats. Een aanrader voor wie ooit in de buurt is.

We steken over naar South Island. Het waait stevig, de deining en golven zijn indrukwekkend. Zelden zo comfortabel in zo’n korte tijd, 3 uur, zo’n berucht zeewater overgestoken.

Het Abel Tasman National Parc,  we zitten inmiddels op South Island, is als gevolg van ernstige overstromingen in december voor ons niet toegankelijk. Vanuit Motueka maken we wat andere tochten. Het is slecht weer aan de westkust. Vlak achter ons, westelijk, markeren  donkere luchten  de grens   tussen het westelijke regen en stormfront en onze zonnige plek.  Pas als we een stuk naar het westen rijden zitten we boven in de heuvels ineens in het opkomende slechte weer.

Het contrast is groot op de weg naar Greymouth de dagen daarna. Rijden we rond het Abel Tasman Parc langs rauwe haarspeldbochten met stijl klimmende en dalende wegstukken; op weg naar Greymouth, westkust van Southisland, hebben we nu allemaal lieflijk glooiende hellingen en dalwegen.

Het weerbeeld in het westen van South Island is stereotiep. Iedere dag begint practisch met een stralende zon die in de loop va de ochtend achter de stijgingswolken verdwijnt. De bewolkte en vaak kil winderige middag  met wat spatjes regen, eindigt dan na de afkoeling aan het eind van de dag weer onbewolkt.

Het landschap, op onze weg naar Greymouth slingert zich een belangrijk deel van de tijd om de Buller rivier. Ooit, in 1847, trok de ontdekkingsreiziger Thomas Brunner er met 4 Maori doorheen,  van Nelson in het noorden naar Westport in het westen. Hij deed er meer dan 550 dagen over; heen en terug wel te verstaan. Wij doen het in twee dagen, enkele reis. Brunner en zijn reisgenoten hebben honger geleden. Weken lang leefden ze alleen van beukenloten,  varens en mossen. Toen de nood nog hoger werd moest zelfs Brunners hond eraan geloven.

Als we na een nacht langs de oevers van de Buller –wat steken die sandfly’s gemeen en langdurig- weer op pad gaan wacht ons bij de volgende kop koffie een verrassing. We blijken neer gestreken te zijn in het eerst “goldminers”plaatsje van Nieuw Zeeland. Van de plaats, Berlin, is weinig meer te vinden, het roadhouse echter wel. We worden ontvangen met echte Country en Western music. Er is net een driedaags “Country en Western en  Goldminer lookalikes”evenement van start gegaan. Honderden C&W fans zitten in tenten en genieten van echte Nieuw Zeelandse C&W en Bluegrass. De pseudo goldminers, compleet met Stetson en gehoorapparaat, zijn niet bij het podium weg te slaan; logisch,  ook het lopen gaat ze inmiddels slecht af; geen “line-dance” dus meer.

Voor we verder zuidwaarts gaan, rijden we in Westport langs een van de, beperkte, plaatsen waar Abel Tasman in 1642 probeerde voet aan wal te zetten en nog wat meer van “zijn” Nieuw Zeeland te ontdekken. Toen hij probeerde  aan land te komen ging er van alles mis. Hij werd omringd door Maori in bootjes die wilde weten of hij een vriend of een vijand was. Tasman, wat in het nauw gedreven, liet op een hoorn blazen en zond een bootje met een paar bemanningsleden naar de wal. De Maori begrepen de bedoeling van deze allereerste Europeaan in hun Aotearoa verkeerd, of was het Tasman die ze verkeerd begreep? Het eindresultaat was in elk geval dat Tasman wegvluchtte  en een paar van zijn bemanningsleden met het roeibootje dood achterliet;  de Maori, deskundige zeeleeuwenjagers,  hadden ze inmiddels aan de speer gespiest.

Na ons vertrek uit Greymouth klimt de weg al snel omhoog in de Zuidelijke Alpen. De natuur om ons heen is betoverend. Subtropisch regenwoud wisselt zich af met nog vochtiger gematigde bossen. De meest spectaculaire planten, struiken en bomen bepalen het beeld. Varens, mossen en palmen vol epifyten; het is nauwelijks te beschrijven. De indruk wisselt voortdurend van Jurasic Parc, via Lord of the Rings  naar Marten Toonder en de Hobbit; fantasieprikkelingen genoeg derhalve.. De vochtige lucht die over de Tasman zee met de westenwind wordt aangevoerd, condenseert tegen de bergen en valt als regelmatige bui, 300 dagen per jaar. Zoveel water en warmte, we zitten op 43 gr ZB, maken dat alles welig groeit.

Onze rit tussen bergen en gletsjers eindigt bij de Franz Josef Glacier, een van de gletsjer uitlopers van het Mount Cook massief. Mount Cook, de hoogste berg van Nieuw Zeeland kunnen we nog niet zien, ligt net aan de andere kant, oostelijk van de kam. Hier westelijk zijn alleen de Franz Josef, Fox en Heemskerck – Jacob- gletsjers te zien. De beide gletsjers Franz Josef en Fox zijn gemakkelijk bereikbaar. We doen er een op zaterdagmiddag, de ander de volgende ochtend. Het spectaculaire is dat je vanuit de weelderige subtropische begroeiing bij de parkeerplaats, over de morene in 30-45 minuten naar de gletsjertong loopt. Een gemakkelijke vrijwel vlak lopende weg.

Na de Foxgletsjer vervolgen we de weg zuidwaarts. Een aantal uren draaien en slingeren we ons verder door de dichtbegroeide subtropische bossen langs het Cookmassief en de flanken van Mount Aspiring. Ineens over de top van een heuvel, in een scherpe bocht wijzigt het landschap. We zijn de waterscheiding gepasseerd tussen de westflanken en de veel drogere oostkant van het gebergte. We rijden verder, een aantal uren,  door de heuvels langs de compleet kale, onbegroeide hellingen ten oosten van de kam. Hier domineert niet meer de eindeloze regen maar bepaald de droogte het beeld. De bosbrandwaarschuwingen langs de weg schieten accuut van “high” (ergens in het midden) naar “extreme”.

Vandaag is het Waitangi Day, weer een feest dag, de Nieuw Zeelanders zijn er verzot op. Wat er gevierd wordt en vooral door wie is onduidelijk. Het verdrag van Waitangi, het belangrijkste verdrag hier in het land,  is in feite nooit door de Engelse Kroon ondertekend. De Engelsen sloten het om de Maori van al hun eigendoms rechten te ontdoen. Eigenlijk gingen de Engelsen er onomwonde vanuit dat de Maori toch wel uit zouden sterven.

De Maori geloofden echter dat ze een verdrag sloten waarin de Engelse Kroon ze bescherming zou bieden tegen alle inbeslagnamens van hun grond door de !2000! kolonisten en handelaren die op dat moment in Aotearoa, Nieuw Zeeland, woonden. De Maori tekst van het verdrag luidt ook wezenlijk anders dan de Engelse tekst.

Jaren van oorlog met de Engelse pioniers en , later, protest en oproer waren het gevolg. Pas midden zeventiger jaren vorige eeuw kwam er een lichte kentering in het denken en begon, met name in links liberale kring, het besef te ontstaan dat er een ernstig onrecht en misleiding had  (en nog steeds heeft) plaats gevonden.

Een daarmee belast tribuaal heef sindsdien duizenden claims van Maori beoordeeld en een schadevergoeding voor het onrecht en de ontvreemding van het land toegekend aan de verschillende Maori stammen in Aotearoa, Nieuw Zeeland; claims met soms een waarde van tot wel  honderden miljoenen.

Ik begrijp niet goed wat ze vieren. De Maori; de gerechtigheid na al die jaren? Reden voor een feest denk ik. Maar de Nieuw Zeelanders? Je zou verwachten dat er een dag in schaamte wordt doorgebracht in plaats van een feest. Hoewel misschien is de vrije dag voor de Nieuw Zeelander wel het belangrijkst; los natuurlijk van de speciale Waitangi Day aanbiedingen bij de supermarkt, de bouwmarkt en de meubelboulevard.

Kilometers rijden we deze vrije dag door het gortdroge heuvellandschap via Queenstown naar Te Anau.  Na 150 kilometer bouwen zich in de verte de stapelwolken zich weer op. Te Anau ligt aan de grens van Fjordland. Het land van machtige wouden en gletsjers, in de uiterste zuidwesthoek van South Island. Een land, zowel de droge heuvels en rotsmassieven, als het gebied van de hoge machtige wouden en bergstromen dat prima lijkt te passen bij Tolkiens Lord of the Ring. Veel van de filmscenes van Bilbo en zijn hobbitvrienden, zijn dan ook opgenomen in deze wouden, bij de vulkanen, tegen de bergwanden en op de schijnbaar eindeloze gortdroge velden waar we de afgelopen dagen doorheen en langs hebben gereden.

De komende week trekken we verder door de zuidelijkste delen van South Island. Milford Sound, Invercargill, Dunedin, Otago, we zijn nog in overleg. 

---------------------------

 

Wellington, 29 januari

 

Het is nog steeds warm, heel warm als we Whangarei verlaten.  De dagenlange arbeid aan de boot schorten we even op. Tijd voor de verkenning van het Nieuw Zeelandse achterland. We vertrekken onder een moeizaam gesternte. Net als we boodschappen doen - het is verschikkelijk druk - hoort Christien van een local dat er twee weekends van topdrukte aanbreken; Anniversery day en  Waitangi day. Drukte genoeg op de weg en de campings. Met het vooruitzicht dat na precies één mooie dag er een passage van een koufront van uit het zuiden met veel regen, gevolgt door een periode van wisselende weersomstandigheden en temperaturen zal volgen, vertrekken we zuidwaarts.

De dag eindigt vlak boven Hamilton na een dag over de kronkelende wegen te hebben gereden van de King Country. Enkele jaren na het sluiten van het verdrag van Waitangi,  in 1840 de officieuze grondlegging van Nieuw Zeeland, ontstond bij de 550 stamhoofden van de verschillende Maoristammen die zich in het verdrag aan de Engelse kroon verbonden hadden, de behoefte zelf ook een “Koning” als gelijkwaardige ten opzichte van de Engelse Kroon naar voren te schuiven. De behoefte ontstoond door de frustratie over het voortdurend verlies van land en soevereiniteit. Het heeft ze niet veel geholpen. De door de stamhoofden gekozen “Koning” Potatau was de gelukkige. Nog steeds, hoewelniet echt een koninkrijk, is een afstammeling van Potatau, de zevende generatie inmiddels, de regerend “Koning”.

Het stroomt van de regen als we de dag erop verder gaan. De nacht is onrustig. Niet alleen door de gutsende regen maar vooral door de regelmatige, dag en nacht, langsdenderende goederentreinen. Nieuw Zeeland heeft een druk benutte spoorverbinding die loopt ten noorden van Auckland op Noordereiland tot onderaan Zuidereiland; bijna 2000 kilometer spoor. Zware arbeid en ontbering is geleden en geleverd rond de eeuwwisseling bijna 110 jaar geleden om het spoor aan te leggen en te voltooien. Meerdere treinen rijden er die nacht, ieder uur over het traject. Het valt op de volgende dag, dat vrijwel al het vrachtverkeer lokaal is; containers passeren ons wel, maar steeds als treinlading.

Halverwege de middag, terwijl de wolken en regenpartijen nog opklimmen tegen de met sneeuw bedekte vulkanen van het Nationaal Park Tongoriro, breekt de zon door. We brengen de nacht door op een van de DOCkampplaatsen in het nationaal park (Department of Conservation); kampplaatsen zonder enige voorziening. Gelukkig vraagt de salade die avond geen kookpit of bbq, beiden hebben we niet bij ons. Het is koud op de flanken van de vulkaan; het is ook koud in onze slaapzak in de tent. Als ik de volgende dag vroeg naast de tent sta is het gras bevroren; het plankier naar de enige toilet is witberijpt.

We dalen af, verder naar het zuiden langs de kronkelwegen op de rand van het rivierravijn. Diep onder ons stroomt de  Whanganui. De ena langste rivier van Nieuw Zeeland. De Maori in het dal waar we doorrijden zijn ooit  onder invloed van de missionarissen gekerstend. Dorpen als Jerusalem,  St Joseph, Korinti  zijn er nog  de stille getuigen van.

Aan de riviermonding bij het gelijknamige Wanganui – inderdaad, zonder “h”- slaan we ons kamp op. Na de koude nacht nu een aangenaam warme nacht; een warme keuken en een lekkere douche completeren het geheel. Dit keer plaagt de wind ons. Als ik midden in de nacht wakker wordt, drukt de wind ons koepeltentje plat tegen de grond. Gelukkig veert het na iedere vlaag weer op en kan er weer worden geslapen.

190 kilometer zuidelijker, Wellington, kruipen we een “cabin” in Een klein kippenhok met stapelbedden , maar wel goed wind bestand. Wellington is berucht vanwege zijn dagenlange snoeiharde wind. Dit doen we ons tentje niet aan. Na de rit de afgelopen dagen, over slingerende wegen, langs verraderlijke raveinen en adembenenmende filmdecors, is de weg naar Wellington saai. De grote landbouwcomplexen  getuigen van jaren van arbeid, maar helaas ook van een doorgaand terugdringen van natuur en landschap.

Nog een dag Wellington, National Museum/ Te Papa en dan maken we ons op voor de overtocht naar Zuidereiland.  

      

Op deze pagina rust auteursrecht; gebruik van delen alleen na toestemming van de auteur.