Rhythm of Life

meer Columns

 

Een krabbel in de kantlijn; Ontmoeting;Situatie; Verwondering......

Column

Hoewel er sinds de ontdekking van Stateneiland, in 1615, door Le Maire en Schouten veel is veranderd in de snelheid van berichtgeving, is het regelmatig uploaden van de website een onzeker avontuur. Af en toe is de regelmaat daarom ver is te zoeken.

Aquarium (Nusajaya, Maleisie, februari 2013)

De natuur vergeeft veel. Niet in mijn strenge jongensjaren toen de vissen in mijn aquarium een kort leven waren beschoren, maar nu, in onze huidige tolerante tijd.

Ooit slaagde ik er maar moeizaam in vissen te houden en te kweken, water te hard of te zacht; de verkeerde mineralen, temperaturen die niet precies juist waren. Neen dan nu, een tijd waarin koralen wegens de te hoge oceaantemperatuur worden bedreigd, waar gif en smurrie de echte watermolecuul verdringt. Neen, het is vreemd, het lijkt wel of de natuur steeds meer vergefelijk wordt.

Vanmorgen hebben twee havenmedewerkers de bodem van de boot schoon geschrobd. Een schare vissen vergezelde de werkers op hun snoeitocht. Dagelijks zitten ze daar, de mooiste kleuren, strepen en vormen. Nauwelijks voor te stellen, in de aquariumwinkel zwemmen ze rond met een hoog prijskaartje op hun neus en een kwetsbare gezondheid gezien de vele sterf gevallen die ik ondanks alle zorg moest incasseren en hier, gewoon frank en vrij, iedere dag weer fris en vers zwemmen dat het een lust is.

Merkwaardig blijft het, olielagen, schoonmaakmiddelen, boordtoiletten, alles loost hier dat het een lust is en tussen dit alles, de aquariumvissen, etend en likkend aan onze aangroei op de boot.

Ondanks alles is het goed te weten dat ik nu toch, zelfs zonder zorg voor het aquariummilieu, dagelijks van ze kan genieten; al is het van boven rond kan dobberen in mijn eigen aquarium. Nu heb ik tenminste een beeld waar ze zich prettig voelen. Een milieu vol modder, olieresten, industrieafval, schoonmaakmiddelen en toiletuitstoot.

Markt (Nusajaya, Maleisie, januari 2013)

Geuren, kleuren, geluiden; verrast kijk ik op. Je weg zoekend door de tropen dringen ze langs de kleinste opening door tot je ďgewaarĒ. Het eerste gevoel is heel krachtig, bijna explosief;  het eerste ochtendlicht, de schreeuw van een aap, de geur uit de ontwakende keuken.

Het is marktdag,  de eerste keer weer sinds de Nederlandse geur van spruitjes en allesreiniger. Midden op straat voor de deur van winkels en eetgelegenheden, staan ze daar, de vaste kramen, kilometerslang. Op de achtergrond raast het verkeer; het stoplicht net weer op groen. Met veel kabaal trekt alles op, oude zware trucks, roetzwarte uitlaatgassen brakend, bussen en busjes, passagiers krampachtig grijpend naar hun stoel, personenautoís van glimmend metaal tot roestig gebutst. Er rijden vooral veel brommertjes; de berijder steevast met zín jas achterste voren, zijn moslima partner achterop , hijab, de hoofddoek, in de wind. Lang ben ik wat huiverig geweest mín jas achterste voren aan te trekken. Een oud grapje verhaalt van een motorrijder die na een ongeluk overleed toen ze zijn hoofd weer rechtzetten; hij had vanwege de rijwind zín jas andersom aangedaan.

Zacht schuifelend trekt het marktpubliek langs de kramen, uitstallingen van vis, gedroogd en vers, groente en fruit, de onvermijdelijke kledingrekken en vooral veel eten, ter plekke klaargemaakt. Het is moeilijk de geur van de talloze mihoen en rijstgerechten te negeren; het is avond en mijn maag protesteert luid. Ik koop wat kleine gerechtjes, zoet en hartig; de zoete steevast in schreeuwende neonkleuren, opstekers voor de komende dagen, draag ik de geuren toch nog met me mee.

De marktbezoekers zijn gemÍleerd, van moslims met hun vrouw, sommige zelfs nog met khimar of chador. Ranke Indiase vrouwen de bindi of tika op het voorhoofd, zoeken hun weg in de menigte; iedereen op weg naar zín eigen gerechten en kruiden. Zoals MaleisiŽrs, net als de rest van de linksrijdende wereld,  gewoon zijn, schuifelt de mÍlee van markbezoekers linksom, met de klok mee. Heel even doorbreekt een van de marktlieden het geroezemoes en prijst luidkeels zijn waar aan. Ik hoor er zín collega op de Albert Cuyp, luid schallend bezig zijn bloemen, kleding of wat dan ook in de aanbieding te doen; een unieke kans weet hij te overtuigen. StoÔcijns in de menigte de moslimcollectant, onbewogen met een collecte bus, zijn collectedoel op een A4tje in zijn hand. Zijn witte mustahaab en zijn gehaakte witte kufi  stralen reinheid uit. Waar hij voor collecteert? De verbouwing van de moskee, voedsel en kleding voor een weeshuis, zijn bedevaart naar Mekka? Iets verderop een boekenstal, in het Maleis en het Arabisch, liggen de Islamuitgaven 

Een bedelende vrouw schudt indringend haar nap, er zit wat muntgeld in. Ze mist een neus, slechts een gewrongen weefsel markeert die plek. Ik kijk schichtig om me heen, niet om de bedelende vrouw te negeren, een alarm wekt me uit mín overpeinzing. Iedere stand met klokken en horloges Ėgelukkig staan ze verspreid van elkaar- gebruikt dezelfde truc. Een kakofonie van wekkers en klokalarmen trekt de aandacht  van de voorbijganger.

De avond valt; als bij toverslag komen van uit alle streken vogels in drommen naar de bomen op het plein. Als een duizend, neen tienduizend koppig koor nestelen ze zich rond de markt. Horen en zien vergaat in hun gekoer en gekwetter. Het vogelkoor overstemt luidkeels zelfs het verkeerlawaai bij het stoplicht achter de markt. De geluiden van de markt vallen weg, de vogels zijn oorverdovend; nu resten alleen nog de geuren en kleuren.  

 

Honden (Nusajaya, MaleisiŽ, januari 2013)

Lang was het een topgerecht op het menu; hond ďin de potĒ zeg maar. Naar het schijnt ooit geÔntroduceerd door missionarissen in hun ijver een alternatief te bieden voor de kannibalenpot.

Het is volle maan dezer dagen, niets vermoedend lig ik in bed, slecht het licht van de maan stoort af en toe mijn nachtrust; tot de roedel losbarst. Is er een strijd om de macht, kruist een concurrerend roedel hun pad, hebben ze gewoon ruzie? Het lawaai is imponerend, dreigend en gaat onheil van uit.

Een paar knallen en het is rustig; voor even maar, dan begint de strijd weer van vooraf aan. Als ik weer wakker word, is alles rustig; de maan is onder, de dag schrijdt over de drempel, aanstonds.

Waar ik de laatste jaren ook was, Afrika, Zuid-Amerika, Stille Oceaan, ZO-Azie, overal kom je ze tegen, de roedels zwerfhonden. In Zuid-Chili, liggend tegen de verwarmingsroosters op straat, bij de ventilatie van de stations in Buenos Aires en Santiago, onder de schaarse savanne struiken in Afrika of onder de palmen in de Pacific, de kampongs in de Indonesische Archipel. Alleen in MaleisiŽ zag ik ze nog niet; de roedels zwerfhonden, schurftig en bedelend, zoekend naar hun eigen weg.

De meesten zullen altijd op straat hebben geleefd, zijn er geboren, raken er gewond, vinden er hun einde. Waarschijnlijk hebben wij ze ooit meegenomen aan boord van schepen, voor de jacht, voor de bewaking, wie zal het zeggen? Ontsnapt, of afgedankt en aan de kant gezet. Ooit werden ze gedegradeerd.  ďHuize BoslustĒ zou ik zo zeggen.

Ze kunnen het ook beter treffen, als bewaker op een erf. Liggend aan een lange ketting, net lang genoeg om de bezoeker te imponeren. Sussend doe ik wat stapjes terug in afwachting van de gealarmeerde baas of bazin. Hoewel het gezegde dat blaffende honden niet bijten mij wel bekend is zegt mijn gevoel dat ik liever heb dat uitzonderingen vast de regel bevestigen en dat niet gehoord, gezien of geroken worden misschien nog wel geruststellender is.

Heel af en toe tref ik een exemplaar dat het nog beter heeft getroffen; als gezelschap, binnen in huis getolereerd. Een eigen etensbak, een eigen mand, een eigen riem om mee uitwandelen te kunnen. Ooit trof ik in een van de armste steden van Bolivia een poedel, roze gekleed en gekapt, nuffig stappend met haar ook in stemmig roze geklede bazin.

Honden, waar ik ook kom. Ze houden me bezig.

Eerdere Columns

NederlandZuid AmerikaPacificNieuw ZeelandIndonesiŽMiddellandse Zee

 


Op deze pagina rust auteursrecht; gebruik van delen alleen na toestemming van de auteur.

op 12-01-2017 bijgewerkt